Gisteren ben ik voor het eerst sinds 13 jaar in een kerk geweest. Dat wil zeggen, ik heb op vakantie natuurlijk wel eens een kerk bezichtigd, maar de kerk gisteren was in bedrijf: een uitvaartdienst voor een tante van Afke.
Zelf ben ik a-kerkelijk op het anti-kerkelijke af, maar een uitvaart is wat mij betreft niet het moment voor dat soort statements. Dus zoals ik dertien jaar geleden katholiek afscheid nam van mijn eigen opa, zo namen we gisteren hervormd afscheid van de tante van Afke.
Laat ik beginnen met iedereen gerust te stellen: ik ben niet bekeerd. De rouwdienst heeft me uitermate gefascineerd, maar waarschijnlijk niet helemaal zoals de dominee bedoelde. Ik zal het uitleggen, waarbij ik zal proberen om in mijn alwetende ongelovigheid toch respect op te brengen voor hen die nog wel geloven.
Bij binnenkomst was al duidelijk dat ik hier niet thuishoorde. Een indeling die ik niet kende of snapte. Een zaal vol met mensen die streng en somber kijken, alle mannen met een pak aan. Nu had ik ook wel een pak aan (een nieuw nog wel, opruimingsuitverkoop, 50% korting, twee dassen voor de prijs van één, maar dat terzijde); het punt is dat zij eruit zagen alsof ze op zondag altijd een pak aanhadden.
We waren veel te vroeg, want Afke wilde graag een goede plek. Gelukkig waren er de neven en nichten van Afke, zodat ik de tijd kon doden als showmodel (”en dit is nou mijn man Bart!”).
Eénmaal begonnen, verdwaasde ik snel. De dominee sprak zijn zinnen uit als mantra’s die ik niet begreep. De liederen riepen op tot volgzaamheid aan de herder, en ondertussen dacht ik dat schapen domme kuddedieren zijn die zich door een hond naar de slacht laten leiden. Een kerkorgel was toch al nooit een bescheiden instrument, maar dit exemplaar probeerde zich zelfstandig naar de hemel te blazen.
In de overdenking kwam de dominee met een flinterdunne metafoor over Kaap de Goede Hoop die ooit Kaap der Stormen heeft geheten, met als excuus dat tante ooit in Zuid-Afrika geweest was. Haar bezoeken aan Israel en Jeruzalem konden duidelijk op minder goedkeuring rekenen; het ging immers om het Nieuw Jeruzalem (”het échte, heilige Jeruzalem”), als metafoor voor de hemel.
Ik keek steeds verbaasder om mij heen: de mensen hier geloven dat écht! Het is heel vreemd om tussen mensen te zitten die dingen geloven waarvan je zelf denkt dat het allemaal berust op een groot misverstand en verkeerd uitgelegde metaforen; ze vragen te zien stellen aan een - volgens jou - niet bestaande God. Het was eenzaam en, gek genoeg, eng.
De hele dienst draaide eigenlijk om de reis van tante naar Nieuw Jeruzalem en dat dat een blijde gebeurtenis was. Aan de nabestaanden werd, vond ik, maar zijdelings gerefereerd, aan hun verdriet helemaal niet; ze zouden immers blij moeten zijn. Na afloop vroegen wij ons af hoeveel troost nabestaanden hier nou uit zouden halen.
Voor bespiegelingen hadden we overigens alle tijd, want we zaten op een goed plekje. Je weet wel, zo’n plekje dat heel ver van de deur vandaan is, zodat je achterin de rij staat voor het condoleren, met daar voorbij weer de koffie waar je zo naar snakt. Ik had dus alle gelegenheid om de kerk eens goed te beschouwen. Ik hoop dat de gemeenteleden blij zijn met hun onderkomen, maar ik vond het een troosteloos gebouw. Een jaren ‘70 pand met veel kale baksteen en donker hout, van vrolijkheid en frivoliteiten gespeend. Nou weet ik wel dat niet iedereen frivoliteit in een kerk waardeert, maar een beetje liefde was toch wel op zijn plek geweest. Maar nee, alles was strikt functioneel - tenzij ik iets niet begrepen heb natuurlijk.
Al met al vertrokken we met het gevoel dat het goed was dat we geweest waren, dat we blij waren dat we weer naar huis mochten en dat het tijd was om taart te eten - in bed.
De ene mens gelooft in een feestje na het leven, de ander in taart eten in het hier en nu (en in bed). Voordeel van dat laatste is dat je dubbel feest hebt. Ik zou eigenlijk het liefst drie keer feest hebben, maar dat zal er wel niet in zitten!
Of je moet in reincarnatie geloven…
….net als met de hemel, ik wil er graag in geloven, maar het lukt me niet; ach, ik kan er natuurlijk wel op hopen.